Slimme computermodellen als bondgenoot bij klimaatadaptatie

Glastuinbouw

Melkvee

Openlucht

Pluimvee

Zacht fruit

Binnen Life ACLIMA willen we zoveel mogelijk lessen trekken uit de maatregelen tegen klimaatadaptatie die we aan het uittesten en opvolgen zijn binnen de verschillende praktijkcentra. Hieruit leren we veel. Hoe gaan we hier echter verder mee aan de slag? De uitslag van de verschillende proeven is namelijk niet eenvoudig uit te breiden en op te schalen naar andere landbouwbedrijven of het landschapsniveau. Computermodellen bieden hier de oplossing. Door deze modellen slim in te zetten, kunnen we de lessen die we trekken op de proefcentra opschalen. Daar zit de kern van de rol die vanuit Sumaqua opgenomen wordt binnen het Life ACLIMA-project.

Vanuit Sumaqua zetten we samen met de proefcentra in op het opvolgen van de maatregelen. Daarover schreven we eerder al dit artikel. Meten is weten, en dat is de eerste stap voor een geschikte modellering. Door elke actie op te volgen, leren we wat de impact ervan is. Hoeveel meer regenwater gebruiken we? Hoeveel minder drinkwater? Hoeveel  bijkomend water kunnen we lokaal ophouden en laten infiltreren? Op basis van de cijfers van experimenten in de praktijkcentra komen we voor een resem acties die binnen LIFE ACLIMA onderzocht worden te weten wat hun potentieel is.

Het potentieel van de maatregelen is echter maar het begin. De context van een praktijkcentrum verschilt van die van een landbouwbedrijf, en de context van één landbouwbedrijf is anders dan die van meerdere landbouwbedrijven in een regio. We moeten dus zorgen dat we de lessen die we trekken vanuit  de metingen kunnen optrekken en opschalen. Om dit te kunnen doen, maken we gebruik van modellen. Door in deze modellen een reeks mogelijke maatregelen door te rekenen, komen we te weten wat er gebeurt als we bv. niet op één landbouwbedrijf, maar op 3 landbouwbedrijven bepaalde maatregelen nemen.

Slimme computermodellen als bondgenoot bij klimaatadaptatie

Er zijn twee types modellen die we gebruiken om de maatregelen door te rekenen. Het eerste type modellen zal de hoeveelheid regen die valt en de hoeveelheid verdamping die optreedt, omrekenen naar een hoeveelheid water in de bodem en water dat zal afstromen. We kunnen op dit model ingrijpen door bv. in te rekenen hoeveel minder water opgepompt wordt of hoeveel regenwater niet in de bodem terecht komt, maar in een landbouwbedrijf gebruikt zal worden. Het tweede type modellen rekent met het resultaat van het eerste type modellen door wat deze wijzigingen in de waterhuishouding op een landbouwbedrijf betekent voor de waterhuishouding in de grotere waterlopen.

Uit deze combinatie van modellen leren we bijvoorbeeld dat de impact van bepaalde types maatregelen sterk kan verschillen. Zo is het voor de diepe grondwaterlagen bijvoorbeeld van belang om maximaal in te zetten op regenwatergebruik in plaats van grondwater op te pompen. Deze bron vult zich immers traag aan, maar wordt wel veelvuldig aangesproken. Voor onze riviervalleien beschouwen echter vooral de oppervlakkige systemen, waarop het gebruik van diep grondwater amper een verschil uitmaakt. Hoewel deze maatregel dus zeer waardevol is, zal het beperken van grondwatergebruik een veel kleinere invloed hebben op waterlopen dan andere mogelijke ingrepen, zoals het plaatsen van goed beheerde stuwtjes. Op die manier kunnen we beter het onderscheid maken tussen maatregelen die hoe dan ook relevant zijn, maar op het oppervlak en landschap een verschillende invloed kunnen hebben. Het aantal goed beheerde stuwen zal dus een veel zichtbaardere invloed hebben op de dynamieken in het landschap.

Dit soort resultaten gebruiken we als kader voor de opmaak van gebiedsvisies. Als we weten welke hoeveelheid stuwen optimaal is, kunnen we bekijken of we deze in het landschap ingepland krijgen. Als dat niet zo is, dan moeten we onderzoeken hoe ver we toch kunnen of willen gaan. Om dat allemaal te doen, leggen we deze gegevens samen met verschillende kaarten, en dat doen we voor twee beekvalleien: die van de Itterbeek en die van de Goorbosbeek. Finaal willen we zo tot een gedragen gebiedvisie voor deze riviervalleien komen, maar hoe dat proces exact zal lopen, houden we voor een uitgebreidere toelichting in een later artikel.

 

Gerelateerde acties